Monday, May 21, 2012

NU NOG//Still now by Hugo Claus [Flemish/ENG]


I
Nu nog, aan de galg vandaag, met een vod in de mond,
zij die wakker wordt met gezwollen lippen, ogen toe,
zij was iets dat ik wist en toen verloren heb, en hoe,
maar hoe ben ik haar kwijt, hoe blaft een dronken hond?

II
Nu nog haar gezicht als de maan en haar lijf als de maan
jong, bitter jong, met die borsten en billen en die ribben.
Vroeger had je liefdespijlen, je voelde ze voorwaar,
zij teisterden, dacht je, die blanke volle maan van haar.

III
Nu nog haar afgebeten nagels, haar gekwetste tepels,
haar gladde billen waartussen zij verticaal lachte 
en zij die metafysica verachtte zei: ‘ Ach, schat, 
in elke cel van je zaad zitten God en zijn moeder.’

IV
Nu nog de strepen schrammen vlekken tatoeëringen,
allemaal kwetsuren van liefde onder haar lichte jurk,
en ik vrees dat dit zal blijven duren, dit wrang achterbaks
krabben en klauwen naar haar ondermaatse niemandsland.


Nu nog, volkomen stil lag zij buitensporig alleen, 
kruiselings verlaten en met verlamd verhemelte, 
en ik, even onbeweeglijk in mijn cel, hoorde ze, 
de rinkelende kettingen rond haar linkerenkel.

VI
Nu nog weet ik hoe moe en melig na het loom vrijen
zij ’s ochtends bijna schroomvallig haar hoofd vooroverboog,
een eend die over het meer gleed en aan ’t water nipte
en toen duikelde naar mij en hapte en toen nooit meer.

VII
Nu nog knoop ik haar gitzwarte haren in hanige
kammen en sprieten en stekels en verheerlijk haar als
totem en kruis in mijn huis dat onhandig en haastig
verandert in een tempel voor Minne, de steelse godin.

VIII
Nu nog al die kamers en nachten en roomkleurig naakt
en al die slaap erna en ervoor en de geur van hei. 
Hoe ze snurkte toen ik vroeg of ze nu gelukkig was
en hoe ze de peluw aaide plompverloren naast mij.

IX
Nu nog haar ledematen, alle vier bezig, bekaf, 
en haar pasgewassen haar over haar warme wangen,
toen greep zij mijn nek met haar enkels, giechelende beul,
onthoofd bood zij mij haar koele glinsterende wonde.

X
Nu nog hef ik een vlag en steek mijn armen in de lucht 
en roep ‘Kameraad’. Maar zij was het die zich overgaf.
Want op het slagveld hoorde ik haar stamelend razen 
met het accent van haar moeder, gore lettergrepen.

XI
Nu nog, nu ik op het punt sta over te schakelen 
naar dat andere leven, leidt ze mij als door zwart water
en loert en loenst naar mij door haar gevaarlijke wimpers
en lacht als ik kletsnat opklim tegen haar gouden berm.

XII
Nu nog is haar hele lijfkarmijn en glimt van het zweet
en van babyolie glad zijn haar openingen. 
Toch blijft wat ik van haar weet een zonderling gebaar,
iets zonder echo, vol bitterheid, toeval en spijt.

XIII
Nu nog vergeet ik weer de goden en hun ministers,
zij is het die mij versplintert, veroordeelt en vergeet,
zij van alle seizoenen maar vooral van de winter
want zij wordt mooier, kouder naarmate ik verder sterf.

XIV
Nu nog tussen alle vrouwen is er niet een als zij, 
niet een waarvan de woeste mond mij zozeer heeft verrast.
Mijn zotte ziel zou over haar vertellen als zij kon 
maar mijn ziel werd met al haar hebben en houden verwoest.

XV
Nu nog hoe zij beefde van vermoeidheid en fluisterde:
‘Waarom doe je dit? Ik laat je nooit meer los, mijn koning.’
Er was geen killere vorst dan ik en overmoedig 
liet ik haar zien hoe de Koning traande uit zijn éne oog.

XVI
Nu nog als ik durf te denken aan mijn verloren bruid
tril ik op mijn benen als ik denk aan wie haar nu plukt,
mijn wandelende oleander van een bruid die steeds
opnieuw het onkruid dat ik ben uit zijn lusttuin rukt.

XVII
Nu nog terwijl de bijen van de dood om mij zwermen
proef ik de honing van haar buik en hoor ik het gezoem
van haar klaarkomen en staar ik naar de natte roze
blaadjes van haar beweeglijke vleesetende bloem.

XVIII
Nu nog ons breed bed dat ruikt naar haar en haar oksels
ons bleek bed door de vogels van de wereld bescheten.
Op de vogelmarkt zei zij: ‘Die wil ik, die wilde daar,
die almaardoor met zijn bek tikt tegen die tiet van haar.’

XIX
Nu nog. hoe zij zich verweerde en mijn mond weigerde,
en pas toen ik haar vloerde met mijn nagels in haar borst,
lam lag en toen, terwijl ik dronken van haar weelde sliep,
mij weer oppookte als een lang gedoofd gewaande haard.

XX
Nu nog haar beweeglijke borst die in mijn handen lag
en haar lippen dik door de beten van mijn tanden
en haar afgebeten nagels en gekwetste tepels 
en hoe zij scheel keek in het wrede licht van de morgen.

XXI
Nu nog verbeeld ik mij dat zij in de smalle tijd
tussen mij en de poolnacht de sterren is geweest,
het gras, de kakkerlakken, de vruchten en de maden
en dat ik dit aanvaardde en dat dit mij nog steeds verblijdt.

XXII
Nu nog, hoe haar beschrijven, met wat haar vergelijken?
Tot in mijn graf zal ik haar ordenen en haar verven
en bederven en haar amechtig weer tot leven blazen
met mijn ergerlijk geklaag, mijn zenuwslopend zeuren.

XXIII
Nu nog haar ogen met de rimmel en de oogschaduw
en de scharlaken lelletjes van haar oren doorboord.
‘Ik heb koorts,’ zei zij, ‘ik kan niet meer, ik vermoord
je, die vingers van jou, niemand anders ooit, nergens, nooit.’

XXIV
Nu nog blijft zij negentien, al drinkt zij; nog zo veel,
en hebben te veel tranen rimpels over haar wangen
getrokken, oorlogsbeschildering en camouflage,
de schimmel en de diepvries van haar leven zonder mij.

XXV
Nu nog als ik haar terug zou vinden als een sprookje
van de maan na de regen en ik lik weer haar tenen,
weer op de been met mijn hart van steen dan vrees ik wordt er
weer een griezelig week lied gewekt als van Cole Porter.

XXVI
Nu nog, zij; meer dan het water in haar wonderlijk lijf
een zoutmeer waarop een eend zou drijven en beklijven
en die eend met een pik was ik – hoor me kwaken! – en zij
meer zijnde wiegde mij op de baren of deed alsof.

XXVII
Nu nog als ik haar terug zou zien met die bijziende blik
van haar, zwaarder in de heupen en voller in de kont,
ik zou haar, geloof ik, weer omhelzen, weer van haar drinken,
een hommel was niet drukker bezig blijer leniger.

XXVIII
Nu nog terwijl ik in haar verstrengeld en geknoopt zit
is de Verwoester bezig en verschroeit Hij de mensen.
Mensen van enige standing zijn hun weg verloren
als na een gevecht zonder wapens en zonder winnaars.

XXIX
Nu nog in haar boeien geklonken en met de bloedneus
van minnaars zeg ik, van haar bloeiende lente vervuld:
‘Dood, folter niet langer de aarde, wacht niet, lieve dood,
tot ik klaargekomen ben, maar doe zoals zij en sla toe!’



___________________________________________


I

Still now, on the gallows today, in her mouth a rag,
she who wakes with swollen lips, her eyes still closed,
she was something I knew and since have lost and how,
but how did I lose her, how does a drunk dog bark?



II
Still now, her face as the moon and her body as the moon
young, bitter young, with those breasts and buttocks and those ribs
Earlier you had love’s darts, you truly felt them there,
they scourged, you thought, that bright full moon of hers.



III
Still now her bitten nails, her bruised nipples,
her smooth buttocks between which she smiles her vertical smile
and she who reviled metaphysics said: ‘Oh, sweetie,
in each cell of your sperm sits God and his mother.’



IV
Still now the stripes scratches stains tattoos,
all wounds of love beneath her flimsy frock,
and I fear that this will remain, this nasty underhand
scratching and clawing for her undersize no man’s land.



V
Still now, completely still she lay excessively alone,
crosswise abandoned and with paralysed palate,
and I, just as motionless in my cell, I heard them,
the tinkling chains round her left ankle.



VI
Still now I know how tired and limp after languid lovemaking
she leant her head forwards almost shyly in the morning,
a duck that slid across the lake and sipped at the water
and then dipped down to me and bit and then never again.



VII
Still now I bind her jet-black hair in horny
crests and spears and spines and worship her as
totem and cross in my house that clumsily and hastily
changes into a temple for Love, the furtive goddess.



VIII
Still now all those rooms and nights and creamily nude
and all that sleep after and before and the scent of hay.
How she snored when I asked if she now was happy
and how she caressed the pillow plump next to me.



IX
Still now her limbs, all four busy, done in,
and her newly washed hair over her warm cheeks,
then she grasped my neck with her ankles, giggling executioner,
beheaded she offered me her cool glistening wound.



X
Still now I hoist a flag and raise my arms in the air
and shout ‘Comrade’. But she was the one who surrendered.
For on the battlefield I heard her stammeringly rave
with the accent of her mother, obscene syllables.



XI
Still now, when I am on the point of switching over
to that other life, she leads me as through black water
and peers and leers at me through her dangerous lashes
and laughs when dripping-wet I clamber up to her golden verge.



XII
Still now her whole body is crimson and glistening with sweat
and her openings slippery with baby oil.
Yet what I know of her remains a curious gesture,
something without echo, full of bitterness, chance and regret.



XIII
Still now I forget the gods and their ministers,
it is she who shatters, sentences and forgets me,
she of all seasons but above all of winter
for she becomes more beautiful and cold as I continue dying.



XIV
Still now among all women there is not one like her,
not one whose savage mouth has amazed me so much.
My besotted soul would tell of her if it could
but my soul was ravaged by all her belongings.



XV
Still now how she trembled with tiredness and whispered:
‘Why are you doing this? I’ll never let you go again, my king.’
There was no chillier prince than I and recklessly
I let her see how the King wept from his one eye.



XVI
Still now when I dare think of my lost bride
I quiver on my legs when I think of who’s now plucking her,
my wandering oleander of a bride who time and time
again pulls up the weed that is me from her pleasure garden.



XVII
Still now while the bees of death swarm around me
I taste the honey of her belly and hear the humming
of her coming and stare at the moist pink
leaves of her mobile flesh-eating flower.



XVIII
Still now our broad bed that smells of her and her armpits,
our pale bed shat upon by the birds of the world.
At the bird market she said: ‘I want that one, that wild one there,
that keeps on tapping with its beak against her tit.’



XIX
Still now, how she resisted and refused my mouth,
and only when I floored her with my nails in her breast
lay null and void and then, while I slept drunk on her abundance,
poked me up again like a hearth long since thought extinguished.



XX
Still now her mobile breast that lay there in my hands
and her lips thickened by my tooth-bites
and her bitten nails and bruised nipples,
and how she squinted in the angry morning light.



XXI
Still now I imagine that she in the narrow space of time
between me and the polar night has been the stars,
the grass, the cockroaches, the fruits and the worms
and that I accepted this and that it still delights me.



XXII
Still now, how to describe her hair, with what can I compare her?
Until I’m in my grave I’ll arrange her and tint
and spoil her and breathlessly blow her back to life
with my tiresome moaning, my nerve-racking whining.



XXIII
Still now her eyes with the mascara and the eye-shadow
and the scarlet lobes of her ears pierced.
‘I’ve a fever,’ she says, ‘ I can’t any more, I’ll kill
you, your fingers, no one else ever, nowhere, never.’



XXIV
Still now she’ll be nineteen, although she drinks quite a lot,
and too many tears have traced furrows over her
cheeks, war-paint and camouflage,
the mould and the rigorous frost of her life without me.



XXV
Still now if I should find her again like a fairy tale
of the moon after rain and lick once more her toes,
on my legs once more with my heart of stone I’m afraid a
weird weak song might be reawoken like one by Cole Porter.



XXVI
Still now, she more than the water in her curious body
a salt lake on which a duck would drift and stick
and I was that duck with a dick – hear me quack! – and she
being a lake rocked me on the waves or pretended to.



XXVII
Still now if I were to see her again with that shortsighted look
of hers, heavier in the hips and broader in the beam,
I would, I think, embrace her, drink once more of her,
no drone would be busier more joyful suppler.



XVIII
Still now while I sit entangled and entwined in her
the Destroyer is at work scorching humanity.
Respectable humans have lost their way
as after a fight without weapons and without winners.



XXIX
Still now riveted in her fetters and with the bloody nose
of lovers I say, filled with her blossoming spring:
‘Death, torture the earth no longer, do not wait, dear death,
until I have finally come, but do as she and strike now!’





 Translation: 2005, John Irons

No comments: